Algemeen

Van het Loosduins Museum... Openbaar vervoer

Allereerst het ‘Openbaar vervoer’. Wat wij daar vandaag de dag onder verstaan is bepaald wel wat anders dan de ‘dienstverlening’ van vroeger, rond 1850 dus. Was er in de strikte zin van het woord eigenlijk wel ‘openbaar vervoer’, met een structuur die wij thans kennen? Laten we zeggen, dat het aarzelend op gang kwam. Want was er immers niet in september 1839 de spoorweg AMSTERDAM-HAARLEM geopend?

4 Jaar later was die lijn al doorgetrokken naar Leiden en Den Haag, waar in hetzelfde jaar het station ‘Hollandse Spoor’ gereed kwam, zij het niet in de huidige gedaante. Maar laten we dichtbij huis blijven, in Loosduinen dus. De diligence ’s-Gravenhage-Monster v.v. deed Loosduinen wel aan, maar had hier geen halteplaats en zal veelal bezet zijn geweest. Dat betekende niks anders, dan dat de brave Loosduinse burgers, wanneer die naar Den Haag wilden, de ‘benenwagen’ moesten nemen. Dat was dan ook gebruikelijk, want in Loosduinen was toen weinig handel en waren er geen (grote) winkels, waar de ingezetenen zich konden voorzien van kleding en huisvesting.

Aan te nemen is nog, dat gebruik gemaakt werd van een trekschuit, eeuwenlang het vervoermiddel van onze voorouders. Een aantal keren per week ging er een trekschuit vanuit Naaldwijk over Honselersdijk, Poeldijk en Loosduinen naar Den Haag, die ’s morgens om 6 u. vertrok. Bochten in de vaarten konden moeilijkheden opleveren, zoals bij Honselersdijk. Om dat te ondervangen had men daar een draaiende paal aangebracht, waar de lijn omheen getrokken werd. Die plaats heet ook nu nog ‘de Rolpaal’ met het bekende rijtje woningen aan de overkant van de vaart. Het moet geen onverdeeld genoegen geweest zijn, zo’n reis met de trekschuit, de ruimte was klein en ongerieflijk, houten zitbanken en laag plafond, heel benauwd dus, vooral veroorzaakt door rokers met hun ‘gouwenaars’ u weet wel, de Goudse pijp. Door jonge vrouwen is ook toen al veel geklaagd over het gedrag van mannen in de schuit. Een ander vermaak was het kaartspel.

Rond die tijd kwam ook het stoomwezen op gang waardoor het trekschuitpaard langzamerhand op z’n laatste benen liep, zeker op de trajecten waar de stoomtrein z’n intrede had gedaan. Dat gold dus ook voor de diligence. Verder was er natuurlijk ook nog het ‘goederenvervoer’, waaronder te noemen valt ‘de hondenkar’. Dat was een op 2 wielen rustende handkar met twee lange handvatten aan de voorkant, waar tussen de hond de kar, beladen met….., voort trok. Dat was een vertrouwd beeld in steden en dorpen. De vervanger van die kar -veel later- was de bakfiets en paard en wagen. Overig vervoer vond plaats met ‘Mart- en Beurtschippers’. Veel goederen en koopwaar, w.o. groenten en aardappelen e.d. werden met schuiten van Loosduinen en het Westland naar de markten in Den Haag vervoerd. Veilingen bestonden toen nog niet.

In een Reglement van de diligence -eerder genoemd- was sprake van tolgelden, die geheven werden bij de tolgrenzen, zoals op de Monsterseweg ter hoogte van de Oorberlaan en bij de Beeklaan, de grens tussen Den Haag en Loosduinen. Die tollen werden geexploiteerd door ‘eene Commissie over den Straatweg van ‘sGravenhage over Loosduinen naar Monster’ die ook voor het onderhoud buiten de bebouwde kom van de gemeenten, verantwoordelijk was. Daartoe werden tolgelden geheven. Niet het aantal personen dat vervoerd werd, maar het voertuig en/of dieren werden belast, w.o. ook honden en katten. De Loosduinse geschiedenis kent nog 2 tolgaarders, t.w. de heren Thierry en Steinfort. Die hadden bijv. in 1836 een jaarloon van f.312.- elk. De ontvangst van tolgelden over dat jaar bedroeg f.4106.34, daarvan mocht de penningmeester van de Commissie 4% in rekening brengen ofwel f.164.- Voor niks gaat de zon op, toch!

Foto: Op de foto staat Henk van Dijk.



DE KRANT VAN DEZE WEEK

POLL

Hoe denkt u over de opknapbeurt van Kijkduin?

Stemmen Bekijk resultaten

AGENDA