Algemeen

Van het Loosduins Museum…

Openbare werken en -diensten

Reeds in 1680 werd door het bestuur van Haagambacht, waar Loosduinen voor de helft onder viel, toestemming gegeven ‘tot bestraating van het dorp’. Wat daaronder werd verstaan en hoe klein dat dorp geweest moet zijn, is de grote vraag, gezien het feit, dat nog rond 1820 de gemeente bestond uit onaanzienlijke huisjes, gelegen aan slecht onderhouden wegen, die buiten de kom van het dorp bij regenachtig weer modderpoelen waren.

In notulen van 3 december 1846 betreffende een vergadering van burgemeester en wethouders kwamen we wat tegen dat met onderhoud van wegen te maken had. Te lezen was: ‘dat het eindweegs van de kerkbrug (Abdijkerk) -mthans het voetgangerspad tegenover de huidige Oranjewoudstraat - naar de hoofdingang van het ‘Zorgknooppunt Loosduinen’ ‘tot aan de Loobrug’ - de brug hoek Schwerinkade - Margaretha van Hennebergweg - ‘in zoodanige staat zich bevindt, dat men besluiten moet dien weg, welke bijna ontoegankelijk is, voor rekening van de Gemeente te doen in orde maken’. En in 1852 werd in de raadsvergadering gesproken over ‘den aanleg van den Strandweg - de huidige Pisuissestraat - Kijkduinsestraat- ‘wegens kostenlooze afstand van de grond door eigenaren van de grond w.o. Jhr. Mr. D.R.Gevers Deynoot, wonend op ‘de Rusthoek’, thans woonwijk Waldeck. Die strandweg werd toen een ‘schulpweg’. De foto hierboven, genomen vanaf Kijkduin, welke dateert van omstreeks de 19e ’20 eeuwwisseling. Geheel rechts is nog net de toren van de Gereformeerde Kerk in de Wilhelminasrraat (Loosd. Hoofdstraat) te onderkennen, links daarvan de toren van de Abdijkerk en geheel links de toren van de R.K.Kerk aan de Loosduinse Hoofdstraat.
De oude generatie Loosduiners weten nog, dat de Oude Haagweg in oude gedaante aan weerszijden gesierd was met hoge statige bomen. Trottoirs kende men rond 1850 nog niet en waarom ook? Die anderhalve kar die op de weg reed, belemmerde het voetvolk niet. Straatverlichting was heel schaars. Er was natuurlijk de onmisbare uit de verhalen overbekende lantaarnopsteker, die de olielampen, gevuld met raap- of lijnolie, dagelijks bedienden. Ga er maar vanuit, dat er ’s avonds en ’s nachts vooral bij bewolkt weer, gesproken kon worden van donker Loosduinen, zeker buiten de bebouwde kom.
We kenden ook de postbode, nou ja, postbode, Bijning heette de man en was tevens marktschipper en diende tweemaal per dag ‘met de benenwagen’ naar de Groenmarkt in Den Haag te gaan. Dat moet wel pezen geweest zijn. Een brief uit Den Haag kostte f. 001, uit Leiden f. 005, bij ontvangst te betalen. Het zal bij Bijning niet storm gelopen hebben met particuliere afhalers van brieven, want wie kregen er nu post anders dan het Gemeentehuis en misschien voorname bewoners van de buitenplaatsen.
Loosduinen beschikte vervolgens al sinds de 17e eeuw over een brandweerkorps, dat tot 1846 een puur particuliere aangelegenheid was. In dat jaar n.l. nam de gemeente deze dienst over. Een taak van de brandweer was ook de ‘Brandschouw van het Hooypijlen’ bij de boeren en de buitenverblijven. De broei werd gemeten met een ‘peilijzer’ voor f. 0.30 per hooiberg. Loosduinen telde toen 92 hooibergen op 51 eigenaren.

De Molen: Hoe verging het dat bouwwerk rond 1850 t.b.v. de Loosduinse gemeenschap? Welnu, toen stadhouder Willem V op 18 jan. 1795 door de komst van de Fransen, het land verliet, werden zijn bezittingen w.o. de molen tot nationaal bezit verklaard. Bij Keizerlijk besluit van 20/8/1811 werd de molen openbaar verkocht en verwisselde tot aan 1925 - toen de gemeente Den Haag eigenaar werd- 8 keer van eigenaar. Dankzij de aankoop door de gemeente Den Haag bleef hij voor afbraak gespaard en prima onderhouden.



DE KRANT VAN DEZE WEEK

POLL

Wat merkt u van de werkzaamheden aan de Kijkduin-Houtrust route?

Stemmen Bekijk resultaten

AGENDA